Lookaround
/

Nostalgie in woord en beeld

 

 

Putten, gelegen in een prachtige, rustige omgeving, is een oud dorp, zoals blijkt uit een oorkonde van 855, waarin het onder de naam van Puthem voorkomt, welke naam duidt op de putten, die als werk gegraven werden bij vestigingen op deze hoge gronden, waar anders geen water te krijgen is
De aanbeveling van een bezoeker in 1928: “Bezoekt u Putten op een woensdag, vergeet dan niet naar de markt te gaan, die in de Dorpsstraat gehouden wordt. U zult daar nog typische klederdrachten aantreffen, de boeren geheel in het zwart, zelfs met front en das van zwarte zijde, de boerinnen met platte mutsen voorzien van achterklappen.”
Bij de watervloed van februari 1825 richtte de zee bij Putten grote verwoestingen aan.
De Grote Beekswal brak op twee plaatsen door, bij de Hoge Brug en tussen de Leembrug en Oudenaller, waardoor twee brede gaten ontstonden en de weg van Harderwijk naar Nijkerk volledig onbruikbaar werd. Huizen, met alles wat er in was, dreven weg, van vele huizen stortten de muren en voorgevels in.
Zevenentwintig runderen, drie varkens en een schaap, verloren het leven. Erger was dat 76 arme inwoners alles verloren wat zij hadden.
Wie de naam Putten hoort of leest zal onmiddellijk herinnerd worden aan de ellendige gebeurtenis in oktober 1944.

 

Het Grijze Huis

Bij zijn terugkeer uit de ‘Oost’ kreeg de koloniaal de raad naar een van de plaatsen op de Veluwe te gaan, waar vele oud-kameraden woonden. Daar viel hij dan in handen van de berucht geworden ‘kostbazen’.
Na een ‘zogenaamde’ hartelijke ontvangst werd hij al gauw in de schuld geholpen. Om deze te dekken, gaf hij zijn ‘gagements- of pensioensakte’ aan zijn kostbaas af. Van dit ogenblik af sliep de kostganger op de deel, werkte hij voor zijn kostbaas, aan wie hij door zijn schuld gebonden was.
Bij dit alles speelde de alcohol een grote rol. ‘De Volksbond tegen drankmisbruik’ wilde de oud-strijders behoeden voor een ellendige levensavond en huurde daartoe in 1914 onder meer een houten woning, gelegen: “terzijde van de brede, door fors eiken- en beukengeboomte beschaduwde straatweg naar Ermelo, even buiten het om zijn schilderachtige natuur zo bekende Veluwse dorp Putten en aan de Grieteweg op de weg waar huize ‘Marie José’ is gevestigd, langs het Van Pallandtsdennenbos.” De grond behoorde tot het landgoed Schoonderbeek.
In 1919 brandde de woning tot de grond toe af.
Er werd in den lande een krachtige actie gevoerd, giften, toneel en andere uitvoeringen moesten het nodige geld opbrengen, om een groot en nieuw gebouw, dat van alle gemakken was voorzien, te krijgen.
‘Het in het Theater Seinpost te Scheveningen gegeven avondfeest ten bate van het ‘Grijze Huis’ te Putten heeft ruim f. 2700, - opgebracht. Artikelen in de landelijke pers zorgden ervoor dat op grote schaal loten werden verkocht:
“Gaarne vestigen wij de aandacht op nog een wijze om den oud-Indischen militair te helpen, nl. door steun te verleenen aan het half augustus geopende kosthuis, het ‘Grijze Huis’ te Putten op de Veluwe, waar al dadelijk 56 plaatsen bezet werden. De directie heeft echter nog moeite om de kosten der exploitatie te dekken, zoodat de koninklijke goedkeuring is gevraagd en verkregen tot het houden eener loterij, die de gelegenheid opent voor één gulden o.a eigenaar te worden van een Ford-auto.” 
De actie was een groot succes en het gebouw kwam er.
In 1923 was het gereed om de ‘gasten’ te ontvangen. Aan 56 oudgedienden kon huisvesting worden verleend. Iedere bewoner had een eigen kamertje, terwijl aan de grote zaal serres waren gebouwd, die als biljart- en leeszaal waren ingericht.
Voor hen die meer dan f. 500, - pensioen genoten, bedroeg het kostgeld f. 350, -, voor de andere ‘kostgangers’ f. 300, - per jaar.
Bij het gebouw behoorde 4 ha grond, waarop voor een deel levensmiddelen werden verbouwd met hulp van de bewoners.
De voorzitter van de vereniging in 1939:
“De vereniging zal l maart a.s. 25 jaar bestaan. Dan zal zij gedurende vijf en twintig jaar aan hen, die zich eens in Indië voor ons land in dienst stelden, een tehuis hebben gegeven, waarop zij recht hebben.
Het bestuur voorziet, dat, indien deze generatie er niet meer is, de bakens verzet dienen te worden en het Grijze Huis dan het tehuis moet worden van hen, die een ruimer pensioen genieten. Dit betekent tevens, dat aan de huisvesting grotere eisen gesteld zullen worden.
Dank zij de steun van velen kon het Grijze Huis tot heden in stand gehouden worden, doch het bestuur ziet zich thans voor vele moeilijkheden geplaatst. Het vertrouwt echter op de weldadigheid van elk rechtgeaard Nederlander, die begrijpt, wat de koloniën voor ons land betekenen.”
In 1973 is het 'Grijze Huis' afgebroken.

Koninklijk bezoek aan Dennenhof 

“Gistermorgen omstreeks 10 uur (1911) arriveerden te Putten H. M. de Koningin en Z. K. H. Prins Hendrik, met hun gevolg, in een drietal auto's. Bij pension ‘Hotel Rustoord’ werd uitgestapt. Vandaar werd een wandeling gemaakt langs de Kerkstraat en de Harderwijkerstraatweg tot het sanatorium ‘Dennenhof’ en weer terug tot bij het Marktplein, waar weer in de auto's werd plaats genomen. 
Het hoge gezelschap vertrok in de richting Nijkerk. In een ogenblik was de mare van het hoge bezoek door het dorp verspreid en een dichte menigte omringde hen en volgde Hare Majesteit telkens juichend en jubelend, voor welke ovatie buigend werd bedankt. 
Bij het plaatsnemen in de auto vóór het vertrek hief het publiek het Wilhelmus aan. Nog lang na het vertrek was het plotselinge, koninklijk bezoek het gesprek van de inwoners, die er zeer mee vereerd waren …”
Dat bezoek had waarschijnlijk alles te maken met het feit dat ‘Hare Majesteit Koningin-Moeder’ flinke sommen geld had toegezegd bij het voornemen in 1900 om een (particulier) eerste ‘Nederlandsche sanatorium voor longlijders’ te Putten op te richten. (Opm. Op de plaats waar nu het ‘Parkhotel’ staat) 
Het bestond toen uit één gebouw met plaatsruimte voor 18 patiënten. 
Enkele jaren later werd er een paviljoen bijgebouwd, waardoor er 30 patiënten verpleegd konden worden. 
Het sanatorium nam voortdurend in bloei toe; en toen in 1901 de pogingen tot oprichting van een volksanatorium mislukten, werden twee afdelingen voor ‘minvermogenden’ geopend, waarmee werd aangetoond dat verpleging voor f. 2, - à f. 2.50 per dag mogelijk was.
Het ‘Herstellingsoord voor Longlijders’ in Putten kende een ‘afdeling voor meergegoeden’ en één voor ‘mindervermogenden’. Voor deze laatsten drongen de geneesheren herhaaldelijk aan op subsidie van staatswege en “betreuren het ten zeerste, dat zelfs geen vrijdom van belasting is verkregen, zooals aan verschillende andere Sanatoria voor on- of minvermogenden wel verleend is.”
De stichting is verzekerd van een huis. Enkele patiënten die het sanatorium hebben verlaten, kunnen zich verenigen om samen, alvorens hun plaats weer in de maatschappij in te nemen, door lichte arbeid in hun onderhoud te voorzien. 
Het huis zal bestaan uit voorlopig zes à zeven slaapkamers (voor iedere persoon afzonderlijk), een gezelschapskamer en een keuken. 
In een schuur wordt een inrichting gemaakt voor het broeden en fokken van kuikens voor kippen en eenden.
Het Christelijk Nationaal Vakverbond heeft in 1928 het particuliere sanatorium ‘Dennenhof" aangekocht en dat werd vanaf toen als vakantieoord gebruikt.

Putten werkt niet mee

1911. ‘Als aansluiting op het fietspad Tongeren – Vierhouten wil men verder met den aanleg van een fietspad over de heide van Staveren tot den zandweg met rijwielpad Ermelo – Drie, een lengte van 4719 m. Ermelo heeft het overige gedeelte tot de westelijke grens dier gemeente, ter lengte van 1540 m aangelegd, zoodat de gezamenlijke lengte 6256 m bedraagt.
Putten wil niet meewerken om het pad door te trekken tot dat dorp langs den Postweg. De boscheigenaren waren bereid een deel van de weg te verbreeden. Maar nu was de Burgemeester van Putten bang dat de ANWB procesverbaal zou laten opmaken tegen sprokkelaars die met kruiwagens er over reden en deze uit wraak de bosschen in brand zouden steken.
En betoog dat de ANWB dit niet doen zal noch kan, daar dit feit geen overtreding uitmaakt en de burgemeester als hulpofficier van justitie de processen-verbaal zelf in handen krijgt, mocht niet baten. Het ging dus niet door.
Evenwel is de Postweg over dat gedeelte doorgaans goed te fietsen en behoeft men slechts op enkele plaatsen af te stappen. De weg door bosch en heide is prachtig vooral als men van Putten komende, van de hoogte, al vrijwielende neerdaalt, alsof men zweeft, met het schitterende panorama op Leuvenum en Staveren.’

Toen en nu 

 

Vakantiecentra

In de jaren dertig van de vorige eeuw kwam men zo langzamerhand tot het inzicht dat het houden van een vakantie, hoe eenvoudig van aard ook, in een (levens)behoefte voorzag:
 “Vacantie maakt ons rijker en sterker, wij komen nader tot de natuur. Wij waren menschen moe en terneergedrukt, maar zoo’n verblijf buiten, dat breken met de dagelijksche sleur, de frissche en nieuwe indrukken, ze maken ons in minder dan geen tijd tot een ander, een sterker mensch.
Voor bijna ieder, die terugdenkt aan zijn vacantietijd, zal deze herinnering vol zijn met gelukkige en rijke oogenblikken, die het leven waard maken geleefd te worden. En daarbij werkelijk genieten, behoeft zeker niet evenredig te zijn met het geld, dat we voor onze vacantiegenoegens kunnen uitgeven.”
In Putten was de vakantievierder ook van harte welkom.
Zo waren er, om enkelen te noemen, het ‘Vacantie-oord’ van de CNV, het ‘Christelijk Vacantie-centrum De Instuif’, ‘De Peppelhoeve’, het ‘Vacantiehuis Op de Pol’ en de trekpleister het bosbad ‘Klein Zwitserland’.

 

Zoek en vergelijk

Het bekijken van oude foto roept altijd nostalgische gevoelens, soms gepaard met enig heimwee, op.
Maar ook is het vaak een aanleiding de locale geschiedenis er eens op na te slaan.
Zo ook bij onderstaande foto’s.
Waar was de burgemeesterswoning? En wat en waar was(is) ‘Het witte Huis’ (is de weergegeven tekst op de witte slagboom) aan de Peppelsche weg?

Onderstaande ansichten van links naar rechts
Dorpsgezicht met molen, idem,
Boerderij Schoonderbeek, Schoonderbeek,
Kasteel ‘De Vanenburg’, idem,
Waterval ‘De Papiermolen’, idem.

Onderstaande ansichten van links naar rechts
Station, Stationsstraat,
Weg naar kampeercentrum ‘De Instuif’, Vacantie-Centrum ‘De Instuif’,
‘De Peppelhoeve’, Vacantiehuis ‘Op de Pol’,
‘Woudhuis’, Schaapskooi Groot-Hussel,
Pinetum Schovenhorst, idem.

Schovenhorst

Enkele kilometers zuidoost van Putten, aan de weg naar Garderen, ligt Schovenhorst.
Op 20 januari 1848 kocht J.H. Schober uit Utrecht voor zo’n 1000 gulden van de gemeente Putten een stuk heidegrond van 80 hectare, gaf het de naam Schovenhorst en begon onmiddellijk met de ontginning.
Hij wilde van de woeste grond een bron van welvaart zowel voor de landbouw als de bosbouw maken en als symbool met de wens dat het zou lukken, dacht hij aan Starings oogstlied: “Sikkels blinken, sikkels klinken, ruischend valt het graan, zie de bindsters garen, zie in lange scharen, garf bij garven staan.”
Overal vandaan liet hij zaden komen en experimenteerde hiermee op de woeste heidegrond en met succes. De zaden werden uitgezaaid met het doel om vast te stellen welke soorten door snelle groei en deugdelijk hout het meest geschikt voor ons klimaat zouden zijn. In binnen- en buitenland baarde zijn experiment opzien. Schovenhorst is nog steeds beroemd om zijn bomen.
Coniferen uit de bergstreken van Californië, de Sierra Nevada. Mammoetbomen, de Sequoia gigantea of sempervirens, die in hun ‘stamland’ honderd meter en meer hoog worden. Rood en zacht is hun viltige bast. Het is een internationaal gezelschap van coniferen dat hier bij elkaar is gebracht. Hier ruisen naaldbomen uit Nieuw-Zeeland, uit Japan, uit Korea, uit het hoge noorden, uit vele landen in meer dan honderd variëteiten en vormen van stam en takken met lichtfijn vederig groen en stijve naalden en eronder en ertussen groeit een wirwar en een weelde van bloemen en ranken die het pinetum tot een lustoord maken.
Toen hij stierf zette zijn schoonzoon, dr. J. Th. Oudemans, het werk voort en ging wonen op Klein-Schovenhorst. Sindsdien is de naam Oudemans verbonden met Schovenhorst. De bossen en bomentuinen van Schovenhorst zijn unieke overblijfselen uit een periode van experimenteren en zoeken naar geschikte bomen voor de Nederlandse bosbouw.
In 1967 werd ‘Stichting Schovenhorst’ opgericht met als doel het landgoed in stand te houden. Het bosbedrijf Schovenhorst voert nog steeds een bosbeheer waar veel ruimte is om te experimenteren. Daarnaast heeft het landgoed zich ontwikkeld tot een prettige plek om te recreëren.