Lookaround
/

Nostalgie in woord en beeld

 

Drie achtereenvolgende fotoseries uit een collectie van de heer R. Wuestman. De foto zijn uit de jaren (19)20/30.
1. Veluwse boerderijen
2. In het woongedeelte
3. Op het erf

 

 

De Veluwse boerenhoeve kenmerkte zich onder andere door de grote voorkamer over de volle breedte van het huis, ‘de heerd’, waar men eigenlijk alleen maar vertoefde bij hoogtijdagen en in de winter. Anders leefde het gezin in een bijkeuken of ook wel in het bij de boerderij staande stenen bakhuis.
Water kwam uit de met de hand gehevelde waterput. Gas en elektra waren er niet. Daarvoor in de plaats was hout als voornaamste brandstof, later aangevuld met eierkolen en cokes, petroleum voor de verlichting en op het erf was, zonder aansluiting op een riolering maar wel op een beerput, het wc-hokje te vinden.

In tegenstelling met de ‘riante’ boerenhoeve was het vaak armzalige boerderijtje van een keuterboer of het ‘onderkomen’ van een daggelder of landarbeider. Pure armoede.
Een keuterboer had meestal een paard, een paar koeien, een toom kippen, een varken of een wat schapen, een moestuin en een enkele fruitboom.
De landarbeider had slechts in beperkte mate de beschikking over ‘dit alles’ en was voor een (te) groot deel (in natura) afhankelijk van de hereboer waar hij zijn werk verrichtte.
Ieder gezinslid had een werkzaam aandeel in het boerenbedrijf. Zelfs de grootouders, die vaak bij hun kinderen inwoonden, namen deel.
Het was hard werken voor een vaak schamel bestaan.
Het behoeft geen nadere uitleg dat aan het zware en voortdurende werk toen nog geen machine te pas kwam. Op het erf was altijd een slijpsteen met daaronder een waterbak te vinden, waarmee het vele handgereedschap werd aangescherpt.

 

 

De boerderij en het er omheen liggende erf vormen samen een onlosmakelijk geheel. Het erf had (heeft) een veel omvattende functie.
Immers een groot deel van de voorkomende werkzaamheden speelde (speelt) hier zich af : de opslag van mest en hooi, het schoon maken en onderhouden van gereedschap en het melkgerei, het putten van water, het dorsen enz.

Het erf bestaat uit een ‘voor’ en een ‘achter’. Voor had de boerin het voor het zeggen. Daar zijn (waren) immers de moestuin, siertuin en de bleek gesitueerd.
Achter was het werkterrein van de boer. Daar lagen de stallen en schuren en aansluitend de akkers en weiden.

De omheining van het erf bestond vaak uit meidoorn, wilgen of fruitbomen.