Lookaround
/

Nostalgie in woord en beeld

 

 

Schapen op de Veluwe

Wie kent het niet? “Op de grote, stille heide, dwaalt de herder eenzaam rond.”
De uitgestrekte heidevelden, die ontstonden door het kappen van bos waaruit een groot deel van de Veluwe tot ver in de 19e eeuw bestond, waren uitermate geschikt voor het houden van schapen. Deze dieren leverden wol en vlees, maar ook kostbare mest op.
Met deze kostbare schapenkeutels konden de akkers bemest worden en het gegraas van de schapen hield de heide kort en de ruimten open.
Overdag graasden de schapen op de heidevelden en ’s nachts verbleven zij in de schaapskooi, ook wel potstal genoemd. Op het vloeroppervlak werden afgestoken plaggen heidegrond gelegd, die de keutels en urine van de schapen opnamen. Steeds werden er nieuwe lagen plaggen overheen gelegd, totdat de stal tot bijna aan het dak toe was gevuld. Dan haalden de boeren in het voorjaar de vruchtbare massa uit de stal en verspreidden die als mest over de akkers.
Omdat de boeren de heide telkens opnieuw afplagden, verdwenen de voedingsstoffen uit de grond. Door het grazen van te veel schapen werd dit nog versterkt. De planten en struiken verdwenen en wat overbleef waren zandgebieden. Als het hard waaide begon het zand te stuiven. Akkers en bos verdwenen onder een dikke laag stuifzand. Het zand zorgde dus voor veel overlast.
Aan het begin van de 19e eeuw is men nieuw bos gaan aanplanten om het zand vast te leggen.
Aan het eind van de 19e eeuw was een groot deel van de Veluwe weer met bos bedekt. Toen verminderde ook de heidebegrazing door schapen. En mede door de uitvinding van kunstmest en de invoer van goedkope wol uit Australië en Nieuw-Zeeland waren schapen niet meer nodig. Op een groot deel van de Veluwe verdween het bijzondere Veluws heideschaap.
Iedereen hield er wel een schaapskudde op na. Wat moest men anders op die ‘vaal ouwe’?
Daarnaast waren er nog de ‘driftschepers’ die met hun kudden door het gehele land trokken en soms ook wel daarbuiten. Bijna elke grote boer had wel een kudde, waarvan de zorg werd toevertrouwd aan een herder. Die verdiende niet veel, hooguit enkele tientjes per jaar. Als
bijverdienste werd hem wel toegestaan enkele schapen voor zichzelf te houden.
Hierbij moet men niet denken aan enkele kudden. Rond 1840 ging het in totaal om 39.620 schapen! In Doornspijk liepen er 2.300, in Ermelo 4.800, in Oldebroek 3.000 en in Putten 2.100.
(Citaat uit het door Jan Garritsen geschreven boek ‘Ermelo in ’t Vierkant’)

Doordat er tegenwoordig minder schapen zijn op de Veluwe loopt het aantal en de grootte van de heidevelden terug. Helaas verdwijnt steeds meer het typisch Veluwse beeld van de schaapkudde met zijn herder. Het Veluws heideschaap liep hiermee de kans uit te sterven, maar door een zorgvuldig opgezet fokprogramma wordt het ras behouden.
De schaapkudde die u bij een Veluwse fietstocht tegenkomt heeft een heel ander doel. Het is meer de natuurbeheerder die de heidevelden in stand houdt.