Lookaround
/

Nostalgie in woord en beeld

 

Kamperen in de vrije natuur

Naast het verblijf in een pension, kamer, vakantiehuisje of  jeugdherberg ontstond ook een andere vorm van ‘een dak boven je hoofd hebben’, kamperen.
Het begrip kamperen was in die jaren (begin 20e eeuw) oorspronkelijk slechts aan militairen voorbehouden, die ‘te velde’ tijdens oefeningen in tenten gelegerd werden.
Zo langzamerhand was er echter een verandering waar te nemen en kwam het kamperen op gang, aanvankelijk meer voor groepen in een, van het leger overgenomen benaming,  ‘kampement’. ‘Camping’ of kampeerplaats was nog geen gangbaar woord. Als er al door particulieren werd gekampeerd, was dat in de vrije natuur of  bij een boer.
Zo kon men voor slechts f. 0,10 per persoon kamperen bij het vakantiecentrum ‘Mooi Veluwe’ in Putten.
Voor Ermelo en al zijn buurtschappen diende een schriftelijk verzoek aan B. en W. te worden gericht, waarin o.a. moest worden aangegeven de lengte van de kampeerperiode. 
Eerst dan kon een vergunning voor het kamperen op gemeentegrond worden afgegeven, leges f. 0,50. 
Harderwijk en Putten stelden geen gemeentelijke terreinen ter beschikking.
Wel kwam er in 1931 een kampeerterrein in Ermelo aan de Leuvenumseweg bij pension ‘Sparrendal’. Voor gebruik op ‘de hei met berken’ moest toestemming worden gevraagd aan de eigenaar C. Kuiper, ‘kampgeld’ 10 cent per nacht per persoon

Aan de nieuwe ontdekking ‘kamperen in de vrije natuur’ moest, om chaotische toestanden te voorkomen, paal en perk worden gesteld.
Het was te verwachten dat algemene en beperkende bepalingen met betrekking tot kamperen, voordat er wildgroei zou ontstaan, van kracht werden. 
En aldus geschiedde, in 1926 werden in onderstaande regels voorgeschreven ‘wat een goed kampeerder weten moet’.  In kampementen, op (gemeentelijke) terreinen e.d., waar gekampeerd mocht worden en in verordeningen trof men deze regels, waarbij strikte naleving werd gewenst, aan.
1. Werpt geen papier, schillen of ander afval gedachteloos weg. Begraaft het in een kuil of bergt het in de rugzak.
2. Wees voorzichtig met roken in de vrije natuur, omdat het in hoge streken van ons land steeds ernstig brandgevaar oplevert. Lucifers met de kop in de grond steken.
3. Hebt eerbied voor bloemen, planten en bomen. Plukt alleen, wanneer het door de overdaad van bloemen aan de natuur niet schaadt en wanneer u er zeker van bent, dat u de bloemen goed kunt verzorgen.
4. Loopt niet over akkers en niet door de jonge aanplant van bomen. Als u door weilanden gaat, trekt dan de hekken achter u dicht.
5. Loopt niet door weiden, waarin op een bord staat, dat er mond- en klauwzeer heerst.
6. Maakt het vee niet aan het schrikken.
7. Knoeit niet met drinkwater of waswater, dat u bij de boeren haalt.
8.  Zorgt altijd een veldfles met drinken bij u te hebben.
9.  Geeft door uw optreden geen aanstoot aan de landelijke bevolking.
10. In ’t algemeen eraan denken, dat bij veelvuldig wangedrag van kampeerders, het kamperen gevaar loopt overal te worden verboden.

Het kamperen in de vrije natuur, hoe avontuurlijk ook, bleef problematisch. Het werd niet algemeen geaccepteerd. 
Er verschenen, zoals gezegd, gemeentelijke verordeningen waarin kamperen als landloperij werd verboden. 
Spontaan met een vol gepakte rugzak er op uit trekken kwam je duur te staan: wie wilde kamperen moest niet alleen toestemming hebben van de landeigenaar, maar ook een vergunning aanvragen bij de desbetreffende gemeente.
In 1936 kwam er een systeem van kampeerkaarten, een verplichte registratie voor ieder die wilde kamperen. In 1939 kwam de uitgifte van kampeerkaarten onder de hoede van de ANWB, die zich tot dan toe nauwelijks had bemoeid met het fenomeen kamperen. Maar dat ging nu veranderen.

Kamperen werd mode 

1939. „De eerste kampeerders hebben de sfeer van de echte kampeerromantiek bij herhaling meegemaakt. Maar nauwelijks was het ‘idiote’ van het kamperen af of er kwamen drommen navolgers. 
In onze verbeelding zien wij zich dan een stoet formeren. Kampeerders, buitenslapers, goedkooptezoekenden en hotelontvluchtenden. In galop komen daar aanzetten de tentenfabrikanten en producenten van ‘nuttige’ kampartikelen, boekenschrijvers en spottende journalisten. Dan komen er de ‘ordescheppers’. Burgemeesters en Wethouders die kampeerverboden maken, rechters die veroordelen, juristen die vrij pleiten, veldwachters die kampeervergunningen inclusief legesrechten aanbieden. Maar, ho, die kampeerder staat daar nog altijd op zijn heideveldje! ‘Wij zullen hem uit zijn primitief isolement verlossen’, zingt het koor van bezorgde mensen-met-een-zakenoog. Zij leggen waterleidingen aan, begrenzen ‘de natuur’ met een omrastering, opdat deze natuur ‘hun natuur’ wordt. Zij maken wc’s die kampschoppen werkeloos doen worden, richten kampwinkels in en kantines. En om het gevaar te vermijden dat de kampeerder eens zichzelf zou amuseren, zorgen zij voor grammofoons, radio en dansgelegenheid.
Van alle zijden stromen thans de ‘belangstellenden’ toe. Kamperen is ‘mode’ geworden.  Iedereen kampeert. Men kampeert! Iedereen bemoeit zich met ‘de kampeerder’. 
Verenigingen ontdekken op hun arbeidsterrein plotseling ook het kamperen, weshalve ook zij actief worden. Een ‘keurteken’ wordt ingesteld voor terreinen, die aan ‘voorwaarden’ voldoen. Telefoon moet er zijn: indien mogelijk benzinepompen. Goede wegen behoren er te komen, opdat het ideaal kampeer-oord per racewagen kan worden bereikt (of ontvlucht?).
Naast het woord kamperen hoort men, exploitatie, rentabiliteit, massaproductie, massa-bezoek, tentjeaantentje, concurrentie, faillissement. Zou de vestigingswet ‘uitkomst’ kunnen brengen?
En onze vriend de kampeerder? Die zit rustig in de stad, nu ‘iedereen’ kampeert. In de stad. waar het gezond is, omdat hij daar meer ‘Lebensraum’ heeft dan in wijlen de vrije natuur, waar men met spoed de ‘techniek’ naar toe heeft gebracht!
Niemand van ons zal de pretentie willen hebben, dat zijn manier van kamperen de enig goede is of zal de kampeergenoegens voor zich alleen willen reserveren. Het verheugt ons dan ook, dat zo talloos velen het weekend en hun vakantie kunnen doorbrengen buiten de grote steden.
Voor de beheerders van goede kampeercentra hebben wij bewondering, omdat zij vele mensen tot kamperen brengen, door hun de gelegenheid te bieden tot het opslaan van hun tenten in een min of meer geschikte omgeving. Ons land kan door de dichte bevolking niet iedereen afzonderlijk heideveld-omgeven-door-donkere-bossen bieden, terwijl ook niet een ieder dit stille kampeergenoegen zoekt.