Lookaround
/

Nostalgie in woord en beeld

 

Het landgoed Staverden

Staverden ligt op het laagste punt van de vallei van de Hierdense (Staverdense) Beek. Vermoedelijk is deze vallei aan het eind van de voorlaatste ijstijd gevuld geweest met een smeltwatermeer. Vanaf de omliggende stuwwallen werden hierin sedimenten afgezet. Uniek is de grote verscheidenheid aan gesteenten die in de vallei wordt aangetroffen. Er zijn stenen afkomstig uit Scandinavië, het Oostzeegebied, Noord-Duitsland en uit het gehele Rijn-Maasgebied. Ofschoon grote delen van de Staverdense Beek in het verleden zijn aangepast ten behoeve van watermolens en andere watervoorzieningen, is het beekdaltraject nog vrij gaaf. Lokaal komt veen voor.
Het landgoed Staverden is met zijn tuinen van oogstrelende schoonheid. Ook de omgeving met zijn vele wandelpaden nodigt uit om een regelmatig bezoeker te worden.
In de voormalige boerenschuur tegenover boerderij ‘De Molen’ krijgt de bezoeker informatie over het landgoed.
Staverden of Staveren was lange tijd in bezit van de Gelderse graven, die in de 13e eeuw toestemming verkregen om er een stad van te maken, hetgeen nooit tot uitvoering is gekomen. Omstreeks 1400 werd Staverden in leen uitgegeven met de verplichting daarbij, jaarlijks witte pauwenveren voor de helm van de Gelderse hertog te leveren.
Deze oude traditie van de witte pauwen op Staverden werd later door vader en zoon s’Jacob in ere hersteld. De pauwenveren worden nu jaarlijks aangeboden aan de commissaris van de koningin in Gelderland.
Het huidige landhuis Staverden is ongeveer een eeuw oud.
Reinoud II van Gelre zou tussen 1326 en 1343 het stenen gebouw dat zijn vader liet bouwen, hebben verbouwd tot een kasteel. Van 1651 tot 1835 was Staverden eigendom van de Van Haersolte's. Zij herbouwden Staverden in de 17e eeuw.
In 1835 werd Jan Rudolf Kemper door koop eigenaar.
In 1905 kocht ir. F.B. s’Jacob, burgemeester van Rotterdam, het landgoed. Ir. F.B. s'Jacob heeft Staverden voornamelijk gekocht voor zijn zoon H.Th. s’Jacob. Deze heeft zich zijn hele leven ingezet voor Staverden. Hij breidde het landgoed aan de noordzijde uit en veel van de latere bouwwerken kwamen onder zijn regie tot stand.
H.Th. s’Jacob behoorde in 1929 tot de oprichters van Het Geldersch Landschap en was tot zijn overlijden bestuurslid. Zijn erfgenamen maakten het in 1963 mogelijk Staverden aan te kope

Kerk en kasteel

 

Duitse adelaar

Gedurende de oorlogsjaren werden we, ook op de Veluwe, geconfronteerd met de Duitse bezettingsmacht. Om ons heen werden Duitse troepen, parate- en opleidingseenheden, gelegerd, gebouwen werden gevorderd, kazernes gebouwd, schietbanen en oefenterreinen aangelegd, enz. 
Ook kasteel Staverden ontkwam daar niet aan en huisvestte een Duitse staf. Een vanzelfsprekendheid, dat er ook een staande wacht en wachtpatrouilles in en om het gebouw werden uitgevoerd. En hoe is het om op wacht te staan en er gebeurt niets, dan slaat de verveling toe. 
Aan de Staverdenseweg richting Elspeet nadat de twee bruggetjes bij het kasteel zijn gepasseerd komt er aan de linkerzijde een zandpad dat loopt naar de ‘Ontspanningszaal’. Aan de linkerzijde van dat pad staat een aantal meer dan 130 jaar, oude beuken. 
Op één van deze bomen, die op sterven na dood is, staat een afbeelding van de ‘Duitse Adelaar’, met een scherp voorwerp in de boom gekrast. Het niet geverifieerde verhaal uit de Staverdense ‘volksmond’ opgetekend, is dat van een Duitse militair die daar op wacht stond en zich overgaf aan verveling, weemoedig en vol heimwee aan het vaderland dacht en een niet zo maar weg te poetsen herinnering wilde achterlaten. Hoe dan ook …
Boven dit bijna niet meer te herkennen 'kunstwerk' staat, ook met een scherp voorwerp in diezelfde boom gekrast "Boven Oranje'.
Voor tweeërlei uitleg vatbaar, zo denk ik, maar door wie, wanneer, en met welke betekenis?
(Opm.: 1. De houten ontspanningszaal is afkomstig uit het Belgische interneringskamp te Harderwijk, waar gevluchte Belgen - 1e W.O. - waren ondergebracht.
De toenmalige eigenaar van kasteel Staverden heeft het gebouw nadat het kamp was opgeheven, gekocht en in 1921 voor algemene doeleinden op de huidige plaats laten opbouwen.
2. De oude beuk heeft een aantal jaren geleden het loodje gelegd.) 
De oude beuk met rechts het pad dat naar de ontspanningszaal loopt. Op de plaats waar eens deze boom stond is door 'Het Geldersch Landschap' een herinneringsbord geplaatst.

Ter kerke

1896. ‘Het is dertig jaar geleden dat te Staverden een lokaal werd geopend tot het houden van godsdienstige bijeenkomsten, katechisatiën enz. Het werd opgericht op kosten van den Heer en Mevrouw Kemper Tutein Nolthenius, destijds eigenaars en bewoners van het thans onbewoonde kasteel Staverden, ten bate van de ingezetenen van Leuvenum en Staverden, die vroeger naar Ermeloo ter kerke moesten gaan, om een preek te hooren, hetgeen vooral met slecht weer een groot ongerief was.’

                                                                           WINTER IN STAVERDEN


Vanaf 1996 was ‘Het Boscollege’ 19 jaar lang dè vrijwilligersgroep van het landgoed Staverden (zie het artikel ‘Het bankje van Ben’ onder Ermelo op www.ermelookaround.nl).

Het kasteel was in die begintijd het aanzien nauwelijks waard. De Orangerie en tuinmanswoning stonden op instorten, onkruid tierde welig en het geheel maakte een vervallen indruk. En nu is het één van de parels van de Veluwe. In het bijzonder de tuin onder ‘supervisie’ van Albert, de tuinman, met zijn vrijwilligersgroep, vraagt om aandacht.(09-07-2017)

Een tuin wordt een bloemenparadijs door de aanwezigheid van vaste, langbloeiende planten en is daardoor bij voortduring een feest om naar te kijken. Zo zou je de tuin met vijverpartij bij kasteel Staverden kunnen omschrijven. (09-07-2017)  

Begraafplaats Staverden: zie onder Ermelo.

Het Geldersch Landschap in de praktijk van Ada en Jan Overeem.

Negentien jaar lang van 1997 - 2015 werkte het ‘Boscollege’ voor ‘Het Geldersch Landschap’ (zie het artikel ‘Het bankje van Ben’ onder Ermelo op deze site).
De thuisbasis was het landgoed Staverden. Aanvankelijk werkten wij onder leiding van de beheerder Hans Tjoonk. Hij leidde ons op voor de te verrichten werkzaamheden en het gebruik van alle gereedschappen. Een rustige, praktisch ingestelde man met ‘gouden handjes’. Met een ijzeren geduld en discipline bouwde hij een koets, kar of arreslee of deel daarvan om deze te herstellen. Ook het nieuwe waterrad uit 1989 bij de boerderij ‘De Molen’ was van zijn hand.
Deze in 1925 gebouwde of toen verbouwde boerderij werd in mei 1940 betrokken door het uit Voorthuizen komende gezin Overeem, dat bestond uit vader, moeder en acht kinderen (mee geteld de kinderen die na 1940 zijn geboren) en niet te vergeten een veestapel van 18 koeien, wat zeugen en kippen.
De in 1945 geboren zoon Jan Overeem is geboren en getogen in en op deze boerderij die nu door hem bewoond wordt, samen met zijn in 1969 getrouwde vrouw Ada.
Van dichtbij hebben wij deze mensen goed leren kennen. Ook al omdat veel arbeid werd gedaan die door boer Jan Overeem werd geleid. Op zijn geheel eigen manier leidde hij ons op. Hij en Ada bepalen al vele jaren het ‘gezicht van Staverden’, ook in praktisch doen en laten. Het beheren van de boerderij met het omliggende terrein met een voortdurend oog voor de natuur, zowel op het gebied van flora en fauna. Het geven van voorlichting aan de bezoekers van het informatiecentrum en aan de deelnemers van de door Overeem te houden huifkartochten.
In het bijzonder de wijze waarop Ada het informatiecentrum met haar vrijwilligers aanstuurt, is een groot compliment waard. Sociaal vaardig, integer en praktisch ingesteld. Het Gelders Landschap is in deze haar veel dank verschuldigd. Als er bij deze organisatie een waarderingssysteem bestaat in de vorm van een oorkonde of iets dergelijks komt haar dat zeker toe.
Wij hebben haar ook zeer leren waarderen….. Maar dat had ook weer te maken met de verrukkelijke appeltaart met slagroom die door Jan Overeem op een door hem eigen manier bij het uitvoeren van onze werkzaamheden te velde werd geserveerd, waar dan ook.
Een alom gewaardeerd echtpaar dat het hart op de juiste plaats heeft, zowel sociaal als ‘natuur technisch’. Ik kan mij voor Het Gelders Landschap geen betere vertolkers voorstellen.

Onderstaande foto’s van links naar rechts:
1 en 2. Boerderij ‘De Molen’. 3 en 4. Op het erf van de boerderij. 5. Drie generaties (Jan) Overeem. 6. Een meer dan een eeuw oude reus geveld. 7. Op de foto met de zeug die een prijs had gewonnen. 8. De schaatsbaan naast de boerderij.

 

De Rotterdamse Toon van Bommel was de eerste tuinbaas op het landgoed Staverden.

In een convocatie van de Oudheidkundige Vereniging van Ermelo las ik dat mevrouw Dorothea Bleijenberg-Wagenmakers een kort, maar aansprekend stukje geschiedenis over het bankje van haar grootvader Antonius Cornelis van Bommel, tuinbaas van 1905 tot 1934, op het landgoed Staverden, op zaterdag 28 april 2018 zou vertellen.
Helaas kon ik daarbij niet aanwezig zijn. Ik nam de vrijheid met haar contact op te nemen omdat ik mogelijk foto’s in mijn bezit heb, die zij bij haar verhaal kon gebruiken dan wel deze in te zien en te bewaren.
Zodoende maakte ik kennis met haar en al snel bleek ons beider fascinatie voor het landgoed, alhoewel haar betrokkenheid vele malen groter is dan die van mij, immers haar grootvader was lange tijd tuinbaas op Staverden en haar moeder is er geboren.
Mijn fascinatie is ontstaan omdat ik negentien jaar vrijwilliger ben geweest. Zie het artikel ‘Het bankje van Ben’ op deze site onder ‘Ermelo’. 

Op zaterdag 30 maart 2013 werd de bank, ter nagedachtenis aan haar grootvader in het park van Staverden geplaatst. Vijf jaar later hield zij haar onderstaande presentatie, die ik met haar toestemming mocht plaatsen op mijn site.
“Zoals de meeste mensen onder u wel zullen weten werd het Landgoed Staverden in de beginjaren van de 20e Eeuw aangekocht door de heer Frederik Bernard s’Jacob.
Onze kennis gaat meestal niet verder dan dat hij burgemeester van Rotterdam was. En daar laat ik het nu bij. Op internet lees je precies wat hij allemaal gedaan en meegemaakt heeft.
Op een ochtend, ergens in 1903, 1904, ontbiedt de heer s’Jacob zijn tuinman, Antonius Cornelis van Bommel, op zijn kantoor en vraagt hem voorzichtig of hij ervoor voelt om mee te verhuizen naar de bossen van de Veluwe. Hij heeft daar een landgoed op het oog en wil dat kopen. Maar het Huis en alles eromheen is erg verwaarloosd en dat moet helemaal, tot in de puntjes, aangelegd en onderhouden worden.
 “Overleg eerst met uw vrouw, of zij dit wel wil”.
Anton van Bommel had de Land- en tuinbouwschool doorlopen, was een vinnige en hardwerkende, maar ook ontwikkelde, man met leiderscapaciteiten. Dat had de heer s'Jacob allang geconstateerd of hij had het laten uitzoeken.
Er waren twee omstandigheden die een probleem zouden kunnen vormen: de familie van Bommel had al 5 kinderen: 4 zoons en één meisje. Hij en zijn vrouw wilden hun kinderen laten studeren én ze waren rooms-katholiek!
Dat vergde inderdaad behoorlijk wat overleg, thuis. Zou zijn vrouw, die aan Rotterdam - Kralingen gewend was, die boodschappen deed in de stad en met de tram ging, zou zij dit allemaal achter zich willen laten en, helemaal verlaten van alle comfort dat zij kende, in de ‘wildernis’ van de Veluwe willen gaan wonen? Ik stel me voor dat zijn vrouw, mijn grootmoeder, diverse voorwaarden stelde: “de jongens moeten dóórleren en mijn kinderen dragen schoenen, en géén klompen.”
Besloten wordt dat de verhuizing doorgaat en het gezin Van Bommel trekt, in 1905, in de tuinmanswoning. Daar worden, in de volgende jaren, nog 2 meisjes geboren waarvan de jongste mijn moeder werd.

In 1905 trekt het gezin Van Bommel in de tuinmanswoning bij kasteel Staverden.
Het kind bij moeder op schoot is de vertelster van de opgetekende herinneringen (foto 1).
In de jaren ’90 van de vorige eeuw was de tuinmanswoning vervallen en onbewoonbaar verklaard (foto 6).
‘Het Geldersch Landschap en Kasteelen’ heeft bij de nieuwe aanleg van het park en de tuin ook het tuinmanshuis laten renoveren (foto 7 en 8).

En zo gebeurde het: Anton werkte hard, met veel personeel, de opgroeiende zoons vlogen uit: één zoon volgde de voetsporen van zijn vader maar hij ging werken in Aalsmeer, bij de grote bloemenveiling.
Anderen, waaronder ook de oudste dochter, werden onderwijzer of kregen andere functies, ook in Nederlands Indië.
De heer s’Jacob had veel wensen: er moest een prachtig herenhuis worden gebouwd op de plaats waar het verwaarloosde, rechthoekige gebouw stond. En vervolgens zou er omheen een prachtig park aangelegd worden, naar het ontwerp van tuinarchitect Petrus Hermannus Wattez.
Dit ontwerp hield in dat een gedeelte van de tuin in de Franse stijl ingericht werd en een gedeelte in de Engelse stijl. Er moest een doolhof komen, een zwembad en een tennisbaan.
Het gedeelte dat in Franse stijl werd aangelegd kun je je voorstellen als de tuin achter Paleis Het Loo, in Apeldoorn. Er bestaat zelfs een luchtfoto van hoe dit park hier, in de jaren na 1905, er heeft uitgezien. Prachtig was het!
Er moesten ook tropische planten en vruchtbomen gehouden worden. Die citrusplanten en bananenbomen werden in de zomer, in grote kuipen, langs de paden gezet. Zodra de kou dreigde werden die loodzware kuipen allemaal weer naar binnen gebracht, in de Oranjerie. Deze werd op ingenieuze wijze verwarmd. Stel je voor: enkel glas, veel glas, en het mocht vooral niet gaan vriezen in de Oranjerie!

Uit deze luchtfoto valt op te maken hoe het park bij kasteel Staverden eruit zag aan het begin van de 20e eeuw. In de zomer werden de planten en bomen in grote kuipen langs de paden gezet.

Ook werd tuinbaas Van Bommel lid van de Kon. Ned. Maatschappij voor tuinbouw en plantkunde, van de afdeling Harderwijk. Voor de verschillende afdelingen van deze vereniging hield hij lezingen die goed onderbouwd waren en die getuigden van zijn vakkennis en grote belezenheid. In onze familie bezitten wij nog de echt zilveren wisselbeker met inscripties, aangeboden door de heer Herman Theodoor s’Jacob, die mijn grootvader in 1929 mocht behouden nadat hij 3 x verkozen was tot de beste tuinbaas van de verschillende landgoederen in Nijkerk en omstreken.
Zelf heb ik mijn opa pas leren kennen toen hij al 71 jaar was, hij was voor ons een ‘model-opa’. Hij woonde bij ons in huis, opa las ons voor, hielp ons met wiskunde, bekeek met ons de wereldkaart, hij leerde mij het patiencespel.
Zijn verjaardagen werden bij ons thuis gevierd met zijn broers en schoonzussen, met al zijn kinderen en kleinkinderen die, vooral de grotere kleindochters, allemaal om hem heen klitten. Gelukkig heeft mijn vader daar steeds foto’s van gemaakt. Zo blijven deze herinneringen zichtbaar.
Kortom: mijn grootvader neemt, nog steeds, een belangrijke plaats in in mijn gedachten en daarom is het mij een groot genoegen om hier, vandaag, 150 jaar na zijn geboorte en 62 jaar na zijn overlijden, deze bank, met zijn naam erop, aan u te laten zien en erover te vertellen.
Ik hoop dat deze bank een geliefde plek wordt voor u allen om er even te zitten en om dit park te bekijken dat nu, dankzij het ‘Geldersch Landschap en Kasteelen’ weer in grote luister is hersteld en waarvan wij allemaal, in alle jaargetijden, mogen genieten!”
Tot zover de presentatie van mevrouw Dorothea Bleijenberg-Wagenmakers.

Van Bommel was niet zo maar een tuinbaas, hij was zeker op ‘groen’ gebied een veelzijdig mens. Zoals onderstaand moge blijken werd hij dan ook alom gewaardeerd en geprezen, verzorgde wandelingen voor bezoekers, nam zitting in besturen en werd veelvuldig gevraagd om zitting te nemen als jurylid.
Hij was niet alleen meer dan vijftig jaar een zeer actief en gewaardeerd lid van de afdeling Harderwijk van de ‘Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor tuinbouw en plantkunde’ maar ook jarenlang bestuurslid. Zijn benoeming tot erelid was dan ook vanzelfsprekend.
1920. ‘Huize “Staverden” bij Elspeet, tuinbaas A. C. van Bommel, 1 eereprijs van de gemeente Putten, 1 gouden, 3 zilveren en 1 verguld zilveren medaille’.
1925. ‘Toen begon de wandeling, te beginnen bij het Penetrum, over de boerderij, door de oude bosschen, langs de weiden, het grootste sierpark met de kassen, en ten slotte de onmiddellijke omgeving van de woning van s’Jacob, waar Mevrouw s’Jacob zich bij het gezelschap voegde om het te leiden langs de schoone borders, die het landhuis omgeven. Heel veel belangstelling toonden de vaklieden voor de verzameling varens in alle variëteiten, saamgebracht in een passenden omgeving met waterpartijtje.’
1926. ‘De heer Van Bommel, tuinbaas op den Huize “Staverden” van den WelEd. Geb. heer s’Jacob had een prachtige inzending gedaan van takken met vrucht van de katoenplant, mooie dubbele violieren, watervarens en dahliabloemen. Deze inzending werd door de aanwezigen beoordeeld.’
1932. ‘Staverden. Aan den heer A. C. van Bommel, tuinbaas op “Staverden” werd toegekend de eere-medaille in zilver, verbonden aan de Oranje-Nassau-Orde.’

Nog een enkele opmerking over zijn werk. Hij ontwierp en plantte de nog steeds bestaande doolhof aan en splitste de beek rond de grafsteen van Eleonora, zodat deze plek een eiland werd.
In de kassen was het naast alle planten een waar lustoord van fruit, bloemen en groenten zo groeiden er onder andere druiven en perziken.
Hij voerde ook de gewoonte in om alle paden op zaterdag aan te laten harken om de ‘kasteelheer’ de mogelijkheid te geven zondags langs de bloemenweelde te wandelen, voordat een ander er een voetstap had durven zetten.
In de droogkelders werden de appels en peren bewaard.
En dan is er nog de anecdote over de studenten en hun viskuit, die ik tegen kwam op de site van één van de nakomelingen: ‘Omdat hij de naam had een goede botanicus te zijn, kreeg de tuinbaas regelmatig studenten van de landbouwscholen op bezoek. Bij een van die bezoekjes besloot een student de oude man te testen. Hij drukte deze gedroogd viskuit in de hand dat er uit zag als plantenzaad. Hij vroeg wat de plantenexpert dacht dat het was. Die schudde het hoofd, hij kon niet meteen het antwoord geven. Maar hij zou het planten en als de studenten voor een herhalingsexcursie terugkwamen zou hij hen antwoorden. De studenten lachten in hun vuistje, ze meenden de oude man beet te hebben genomen. Enkele weken later keerde het studiegezelschap terug. De tuinbaas ontving ze even enthousiast en nam ze mee naar een speciaal bloembed. ‘Hier is het resultaat. Uw zaadjes zijn opgekomen.’ De studenten stonden perplex, bogen zich voorover en deinsden meteen weer terug. Uit de aarde staken sprieten omhoog en op elke spriet prijkte een gespietste haringkop.’

Op 1 oktober 1934 gaat Van Bommel ‘met pensioen’. Bij zijn afscheid werd hem een interview afgenomen, waarbij één van de vragen was: “Wat was nu wel uw mooiste werk?”
“In de allereerste plaats was dat voor mij de cultuur van warme kasplanten, vooral de fraaie verzameling van bromeliaceën”, zo antwoordde hij, “maar ook de uitgebreide verzameling orchideeën en cactussen.”
Het was dan ook een ware lust voor het oog wanneer men door de grote kassen en niet te vergeten door de orangerie met de enig in hun soort zijnde oranjebomen wandelde Je keek er je ogen uit.
Het moge duidelijk zijn dat ‘men uit den lande in grote getalen elk jaar Staverden bezocht’.
De hedendaagse tuin op het landgoed is als zeer fraai te bestempelen maar de schoonheid, de variëteit en de uniciteit van de tuinen en kassen uit de tijd van Van Bommel zullen nooit meer te aanschouwen zijn.

De in Kralingen geboren Antonius Cornelis (Toon) (1868 - !956) van Bommel woonde met vrouw Johanna Maria Huijsdens en kinderen in het nog steeds bestaande, thans geheel gerenoveerde tuinmanshuis. 
De in 1909 in Staverden geboren dochter Dorothea Maria Elizabeth was getrouwd met de Ermelose Jelle Wagenmakers, de ouders van Dorothea Bleijenberg-Wagenmakers, de vertelster van het bankje. Zij hadden van 1934 – 1970 een meubelzaak aan de Stationsstraat 104 in Ermelo. Het pand bestaat niet meer, zoals zovele mooie panden aan de Stationsstraat niet aan de slopershamer ontkwamen.
Deze Staverdense Dorothea Maria Elizabeth gaf in onderstaand artikel een aantal kostbare herinneringen weer.
‘Ik vind het leuk u te vertellen dat ik 25 jaar op het landgoed Staverden gewoond heb, namelijk van 1909 tot 1934 en er als kind bij stond als in strenge winters grote brokken ijs losgezaagd werden en met haken tegen de kant gesleurd, telkens terugglijdend en in het water ploffend, waarna ze naar de ijskelder vervoerd werden door enkele tuinarbeiders onder leiding van mijn vader. Daar werden ze tussen oud blad opgeslagen en tot ver in de zomer gebruikt in de keuken en de provisiekamer van het kasteel om de levensmiddelen op temperatuur te houden.
In het park achter de toen prachtige tuin van kasteel Staverden, gaande langs de doolhof en langs het eilandje waar de grafsteen met de naam Leonora op stond, kwam je bij een heuvel waarop een simpel bouwwerk stond, een soort afdak. Onder dat afdak waren luiken en daaronder een gemetselde ijskelder, waar diverse soorten vleermuizen overwinteren.
Aan een kant van de heuvel was de ingang van de kelder gegraven. Tussen twee hoge wallen kwam je bij een zware deur met grendels. Daarachter was een klein portaaltje en dan weer een zware deur ook met grendels, die pas aan het eind van de zomer, als het ijs bijna op was, geopend werd om de laatste resten weg te halen en later de kelder schoon te maken.
Een klein eindje verder was weer een soort heuvel waarop een koepel met glazen wanden waarin een tuinameublement stond vanwaar je een prachtig uitzicht had over de daar verbrede gracht, een soort kom waaraan vroeger een rieten eendenkooi stond. Van de koepel naar het water liep het gras glooiend naar beneden en daar werd ook meestal het ijs gewonnen, vermoedelijk omdat daar geen bomen stonden en et ijs daar het minst verontreinigd was. Rond de tuin, het kasteel en de stallen liep een slotgracht die door middel van sluisjes van water voorzien werd door de Leuvenumse Beek die aan één kant langs de tuin liep en even verder langs een watermolen met een schoepenrad met een val van enkele meters, in de richting van de Zuiderzee stroomde.
Als je de beek een eindje in de richting van het Uddelermeer ging, was daar een klein zwembad in het bos met een aarden wal er omheen, dat door middel van twee grotere sluizen ook gevoed werd door de beek. Het water was ijskoud en door de bomen er omheen kwam er bijna geen zon.
Direct daarachter lag de Johannesvijver (aant: de vijver dient als watereservoir voor het waterrad bij het kasteel en voor het wateren van hout) ook nu nog aanwezig, maar erg vervuild en dicht gegroeid. Vroeger werd een en ander geregeld schoon gemaakt, het zwembad elk jaar. Dan werden er snoeken en palingen gevangen, die met het beekwater, dat eerst door de vijver liep, meekwamen.

Tegenover de ingang van de ijskelder staat het bankje ‘ter nagedachtenis aan mijn grootvader’ (foto 1). Tussen twee hoge wallen kwam men bij een zware deur met grendels, de ijskelder ( foto 2). Van Bommel spitste de beek rond de grafsteen van Eleonora (foto 3 en 4).Verder op een soort koepel met glazen wanden waarin een tuinameublement stond (foto 5 en 6). Een klein zwembad met een trapje en er omheen een aarden wal en daarachter de Johannesvijver (foto 7 en 8).

We hadden daar een heerlijke jeugd, speelden er rovertje met de dan lege ijskelder als onderaards en aardedonker hol, gingen met een bootje op het eiland van Eleonora en zagen de eerste eitjes en jonge vogels in de beukenheggen van de doolhof.
We gleden op een plankje van het schuine rieten dak boven de ijskelder en mochten zelfs na 6 uur in het zwembad, als we maar zorgden de landheer niet voor de voeten te lopen. Dat laatste was heel gemakkelijk want precies om 9 uur ’s morgens maakte de oude heer s’Jacob met zijn lange witte baard, zijn bolhoed en wandelstok, gekleed in een grijze mantel met pelerine, zijn rondgang door de tuin en de kassen. Later werd het moeilijker toen de zoon van de oude heer trouwde en een gezin kreeg.
In 1928 stierf mijn moeder en werd op het kerkhof bij Elspeet begraven maar in 1930, na aanleg van een eigen kerkhof op Staverden, achter het kerkje en tegenover het tolhuis, werd ze als eerste daarheen overgebracht. Ik herinner me ook nog de twee tolbomen daar en de tolstrijd, toen de heer s’Jacob op zijn grondgebied een weg liet verharden om de tollen te vermijden. Iedereen mocht er gebruik van maken, maar een paar weken per jaar werd de weg afgesloten om onteigening tegen te gaan. Toen later de tollen opgeheven waren, werd de weg over het landgoed weer afgesloten.’

Onder grote belangstelling werd, Toon voor zijn vrienden, nadat hij op 5 september 1956 was gestorven, in Staverden begraven.