Lookaround
/

Nostalgie in woord en beeld

 

Een eerbiedwaardig gedenkstuk

Aan de Nieuwe Prinsenweg was een “eerbiedwaardig gedenkstuk” te vinden. 
“De Koningstafel, bestaande uit in eene langwerpig vierkante uitgraving in den grond, van tien voet lang en acht voet breed. De tafel bevindt zich onmiddellijk aan den voet eener eeuwenoude eik, die drie voet dik en algemeen bekend is onder den naam van Koningseik. Zijn wormstekige stam verdeelt zich aan de kroon, weleer in drie thans in twee armen; de schors is geschonden naar de zijde van den weg, zoo hoog als men van den grond de plek kan bereiken om de kogels uit te snijden, die bij menigte in den stam geschoten zijn, telkens na afloop eener hertenjacht. 
Daar aan die Koningstafel op een zoden bank, in de schaduw van den Koningseik zat meermalen in het laatst der zeventiende eeuw, een jager van mannelijken leeftijd. Het was Willem Hendrik van Oranje-Nassau, Willem III, stadhouder der Nederlandsche Gewesten en daarbij Koning van Groot-Brittanië en Ierland.
De dikke stam met mos bedekt, de hooge kruin getuigen, dat hij vele jaren ouder is dan wij. Wie zegt het ons, of hij reeds niet meer dan drie eeuwen geleefd heeft.” 
Deze aantekening is uit 1910. De Koningseik bestaat niet meer. Op de kaart staat nog steeds de exacte plaats aangegeven.

Een dubbele moord

Een dubbele moord in die tijd sloeg zowel nationaal als regionaal in als een bom. De kranten stonder er vol van. En nog wel op de Veluwe, waar een dergelijk gebeuren niet in het verwachtingspatroon voorkwam. Dagenlang was het voorpaginanieuws. Het was 1921.  ‘De electricien M. Emmer verdacht van den moord op de beide vrouwen te Houtdorp, eigenaar van de ‘Indian’ motorcar  is gearresteerd.
Eenige burgers die hem kenden waarschuwden een surveilleerend politieagent, die hem onmiddellijk arresteerde. Emmer zette het op een loopen, de agent ging hem na, een aantal burgers namen ook aan de jacht deel en een andere politieagent  voegde zich eveneens bij de vervolgers. Burgers sneden hem de pas af en de agenten traden op hem toe met de revolver in de hand, toen gaf hij zich over. 
Voor hij in den politiewagen stapte vroeg Emmer een doek  om zijn gelaat mee te bedekken, hij schaamde zich voor het publiek dat om den wagen stond geschaard. Hem werd geen doek gegeven, hij moest de pet maar ver over de oogen trekken.
Snikkend bekende hij op het bureau zijn mededaderschap, alsook dat de vreeselijke daad hem zoo weinig had opgeleverd.
De arrestant was vreeselijk ontdaan. Hem was meegedeeld dat de beide vrouwen voor tienduizenden  aan bankpapier voor de hand hadden liggen, zoo maar in een kast. Een groot kapitaal zou er voor het grijpen liggen, wanneer alles goed werd voorbereid. Bij het doen bouwen van kleine woonschepen had hij met verschillende beruchte leden van het inbrekersgilde kennis gemaakt.
Onbekend met dat werk en zich nooit op het terrein hebbende begeven, zocht hij vaklui in de misdaad, die met hem het karwei zouden opknappen. Hij sprak er met een aantal ‘linke’ jongens over o.a. ook met Gerber, voor wien hij enkele maanden geleden een woonschuit had gebouwd. Aanvankelijk verklaarde Gerber zich bereid, zeggende: als er zoo maar wat te graaien is, graai ik mee, aan de kraak mee te doen.’t Lag dan ook in de bedoeling de daad te 
verrichten met z’n tweeën.
Dan was het wat, als het opleverde wat E. was voorgespiegeld en waren de delinquenten onder dak. Op dien zondagmiddag, enkele weken geleden waren zij dan ook, Emmer en Gerber, op de ‘Indian’ naar Houtdorp gegaan, nemende den straatweg Amersfoort Hoevelaken Voorthuizen en even voor Nieuw Milligen naar Garderen en dan naar Houtdorp. Het lag in de bedoeling van het tweetal toen reeds tot den roof over te gaan. Onderweg hadden zij herhaaldelijk motorpech, werden door fietsers op verschillende gedeelten van den weg geholpen en bereikten eindelijk , reeds tegen het schemeren, het zandpad dat naar de boerenplaats der vrouwen leidde. E. is toen geruimen tijd bij zijn motorfiets blijven prutsen. Gerber ging naar het huis van de slachtoffers, vroeg drinkwater, kreeg dat en bracht ook een kom vol naar zijn maat.
Later is die er ook bijgekomen. Zij spraken met de 48-jarige Rikje Bouwers over onverschillige zaken, namen onderwijl de plaatselijke situatie goed op en vertrokken. Zij bleven nog wat in de buurt hangen, maar omdat Gerber ten slotte weigerde  de inbraak dien avond te plegen, gingen zij met de motorfiets naar Amsterdam terug, ook toen weer eenige malen hebbende te kampen met mankement aan den motor.
E. was dien zondagmiddag toen hij met G. vertrok geheel op de daad voorbereid, hij had nieuw touw bij zich om de vrouwen te binden. Zooals vermeld is het plan toen niet tot uitvoering gekomen, het denkbeeld liet E. echter niet met rust, hij zocht en vond andere rotgenooten, o.a. Jaap de Graaf, grondwerker die met zijn bijzit, een publieke vrouw, leeft in een woonschuit. In verband met het toen gepleegde overleg van het misdadigersrot werden voorts door E. verschillende mededeelingen gedaan die tot verdere stappen zullen leiden, doch die, in het algemeen belang, nog niet kunnen worden vermeld.
Aan het plegen van geweld in die mate dat het leven er mee gemoeid was, werd, zei E. bij de voorbereiding niet gedacht. De vrouwen zouden door in chloroform gedrenkte watten  bewusteloos worden gemaakt, dan moesten zij aan handen voeten gebonden worden en dan kon het rooven beginnen. Eenmaal den ‘poet’ binnen, moesten de vrouwen in dien gebonden en bewusteloozen toestand worden achtergelaten. 
E. zou de 78-jarige Lijsje Pater voor zijn rekening nemen, zijn hulp het 48-jarige nichtje. Den raad de vrouwen te chloroformiseeren moet gegeven zij door een zekeren Dekker, wonende in een plaggenhut onder Schoorl. Deze is echter niet meegegaan, doch heeft aan de bende voor vijftien gulden chloroform verkocht.
Later is het gezelschap met een der laatste treinen naar Amersfoort vertrokken, niet met de motorcar doch met gewone fietsen. Van Amersfoort hebben zij per rijwiel denzelfden weg afgelegd die Emmer met Gerber op de ‘Indian’ gereden had.
Na zich toegang tot het huis der vrouwen te hebben verschaft, werden de slachtoffers overvallen, de jongere door Emmers ‘hulp’, de oude door E. Naar deze voor geeft zijn de vrouwen niet gewurgd doch tijdens de worsteling bezweken.
De chloroform schijnt niet zoo te hebben gewerkt, dat de vrouwen zich zonder lieten binden. Zelfs de oude vrouw stelde zich zoo te weer dat zij E. eenige vrij diepe schrammen toebracht op den neus, onmiddellijk onder het linkeroog en hem zelfs in de wang heeft gebeten. Benauwd dat alles mis zou loopen hebben de daders toen met groot geweld de slachtoffers proppen in den mond gestopt van watten en lappen
De vrouwen bewogen zich daarna niet meer, de schurken haalden zo vlug mogelijk alles overhoop, vonden een stapel Russische leeningsstukken, die zij niet meenamen, zochten en zochten, doch vonden niet meer dan f. 1432, - aan bankpapier en zilverbons. Toen zij vertrokken, waren de vrouwen, naar de daders meenden, nog bewusteloos, aan het overlijden van de slachtoffers, naar hij voorgeeft, althans E., toen niet; hij zegt dat tot zijn schrik later in de kranten te hebben gelezen.
Thuis is de buit verdeeld. Het viel zo uit dat E. f. 440, - voor zijn deel kreeg.. Hij heeft onmiddellijk het fietspak dat hij in den heilloozen nacht droeg, bij een kennis geborgen en liep her- en derwaarts in de stad, geen rust vindende om hetgeen hij had gedaan. Hij verzon 
Hij verzon allerlei smoesjes om de oorzaak der verwondingen op zijn gezicht zoo onschuldig mogelijk voor te stellen.
Dekker bezocht hem in den loop der afgeloopen week, kort na de daad en zei: “kerel, wat zie jij er beroerd uit!” Hij heeft toen er op gedoeld de misdaad te hebben verricht, deed daarop een greep in het ijzeren geldkistje dat hij bij de hand had en gaf Dekker f. 75, -, om daarmee diens stilzwijgen te koopen.
Bij zijn arrestatie had Emmer nog slechts elf gulden op zak. Van de buit had hij den timmerman betaald die hem het hout voor de woonschuiten heeft geleverd.
Van alle omliggend gelegen plaatsen en vlekken waren belangstellenden naar het stille Garderen gekomen. Na de kerk begaf de treurige stoet zich naar het familiegraf in Garderen.
Voor hen die nog nimmer een begrafenisplechtigheid in het hartje der Veluwe bijwoonden, was het een eigenaardig gezicht. De beide kisten werden op boerenwagens geplaatst, terwijl op elke kist vier vrouwelijke familieleden plaatnamen, in den rug gesteund door stroozakken, het hoofd gehuld in zwarte rouwdoeken.
Achter volgden de mannen in het eigenaardige Veluwsche rouwgewaad: de hooge hoed met sluiers omwonden.’

Ermelo wil het Houtdorperveld terug

1922. Met ingang van 1 januari 1858 werd door de gemeente Ermelo in erfpacht ten dienste van de troepen in het kamp van Milligen op verzoek van de koning 600 ha heidegrond voor een tijdvak van 99 jaar afgestaan. In dat jaar was er aan dat stuk heide geen behoefte en werd slechts gebruikt als schapenweide en voor het halen van plaggen.
Sedert dien is er door de toename van de bevolking veel veranderd. Het aanwezige bouw- en weiland is niet meer voldoende om aan de bestaande behoefte te voldoen.
De laatste jaren is er veel woeste grond ontgonnen.
Gedurende de mobilisatie heeft de gemeente Ermelo verzocht een deel van de gronden uit de erfpacht te ontslaan.
De minister van Oorlog steunde dit verzoek niet omdat dat het  bezwaarlijk was gedurende de mobilisatie het oefenterrein te verkleinen.
Het bezwaar is inmiddels opgeheven, de mobilisatie is immers voorbij en bovendien met het oog ‘op de tegenwoordige malaise en de werkloosheid in den landbouw, de pogingen, van hen, die geheel zonder Staatshulp en geheel voor eigen risico heidegronden wenschen te ontginnen tot weiland, moeten worden gesteund?’