Lookaround
/

Nostalgie in woord en beeld

 

 

Elburg 700 jaar

En opnieuw ben ik geïmponeerd door de overweldigende natuur, vooral de bevredigende stilte en rust. En ik heb, naar ik meen, meer oog voor het detail dan twee en twintig jaar geleden,  toen ik als 18-jarige knaap in 1911 deelnam aan het jongenskamp van de Gymnasiasten Bond in Vierhouten. En terwijl ik nu over een slingerend heidepad fiets, komen de herinneringen van destijds weer in volle gloria boven. Sportwedstrijden, zwemmen in zee en ’s avonds de gezelligheid om het kampvuur. Geen zorgen voor de dag van morgen. We hadden net de schooltijd op de hbs afgesloten en gingen studeren. Wie deed ons wat. 
De schemer van de naderende nacht legt zich als een warme deken over de sluimerende Veluwe. De laatste stralen van de ondergedoken zon spelen in de zacht heen en weer gaande toppen van de hoge berken en brengen een laatste groet van een warme, zomerse dag. De van de warmte trillende lucht boven de uitgestrekte heidevelden is tot rust gekomen. Een heerlijke omstandigheid om eens lekker weg te dromen, al moet ik wel het fietspaadje goed in het vizier houden.
Er maakt zich een soort heimweegevoel van mij meester en ik bemerk een sterk gemis aan die kameraadschap van toen. Als ik straks weer thuis ben, moet ik toch eens een aantal ouwe maten opsporen en een afspraak maken.
“Wat ben je stil, waar denk je aan?”
“Ik geniet van de stilte in de natuur”, geef ik een ontwijkend antwoord aan mijn vrouw die ‘amechtig’ hijgend achter me fietst. Ze houdt helemaal niet van fietsen, maar om mij een plezier te doen, gaf ze aan, als het vanavond wat koeler is, ga ik met je mee. Zij houdt ervan, zoals vandaag, om door een oud stadje te zwerven. En ik moet zeggen, het was ook de moeite waard. Elburg vierde dit jaar, 1933, haar 700-jarig bestaan met een historisch, folkloristisch, drie dagen durend feest. 
De burgemeester, jonkheer R. Feith, hield de openingsrede, waarna om 12 uur de opening van het feestterrein ‘Oud Elburg’ volgde. In middeleeuwse stijl waren, aan de hand van oude tekeningen en prenten, verschillende gebouwen opgetrokken.
Een optocht beeldde de groei van het oude stadje uit. 
Om zes uur concentreerde zich alle belangstelling om en nabij de Oostwal, waar tegen de stadsmuur en het rondeel het openluchtspel ‘Aleid van Putten’, samengesteld door Dr. H. J. Olthuis, werd opgevoerd.
Aleid van Putten, dochter van Pelgrim van Putten en Katharina  van Zinderen, geboren in Putten in 1450 was getrouwd met Reynalt de Vos van Steenwijck, zoon van Johan de Vos van Steenwijck en Hadewich van Ansen, geboren in Dwingelo. Aleid erfde een groot deel van het bezit van de heren van Putten, kreeg na het overlijden van haar vader, ook wel Heer Herbern genaamd, het recht van gruit en werd de trotse eigenares van het sterke slot ‘Puttenstein’ en het zuid van Elburg gelegen slot ‘Old Putten’.
(Opm. gruit was een mengsel van planten en kruiden en werd als smaakmaker en conserveringsmiddel voor het bier gebruikt.)
‘Geleerden’ hebben de plaats van het slot ‘Puttenstein’ aangegeven: verlaat Wezep in noordwestelijke richting over de Zuiderzeestraatweg, een scherpe bocht naar links, ongeveer 300 m voorbij de afslag naar Kampen – de Kamper Straatweg – schijnt aan de rechter zijde van de weg het slot te hebben gelegen.
Deze Herbern was een machtig man, een roofridder, veel roven en weinig ridderlijkheid, tegenwoordig zouden we een dergelijk heerschap betitelen als een ‘boef 1e klas’, een gewelddadig ‘bendeleider’. Hij bezat allerlei vaak zelf verworven rechten, zoals vis- en tiendrechten, het recht van gruit in Elburg, het recht van wind in Doornspijk, enz.
(Opm.: Een tiendrecht en tiendenrecht is een vorm van winstbelasting, waarbij men een deel van de opbrengst dient te betalen. Oorspronkelijk bedroeg dit een tiende deel.) 
Er zijn vele lezenswaardige verhalen over deze ‘Heer’. 

Met als achtergrond de oude St. Nicolaaskerk leende de omgeving zich bij uitstek voor deze opvoering, welke ons verplaatste naar het jaar 1397 aan het hof van ‘Old Putten’, waar ridder Pelgrim terugkeerde na zijn strijd tegen de Brabanders en Luikenaren. Zijn echtgenote en haar drie dochters Aleid, Catharina en Margaretha begroetten hem en zijn trouwe schildknaap, ridder Reynalt de Vos van Steenwijk. 
Het tweede bedrijf liet zien hoe Reynalt en Aleid in liefde voor elkaar ontvlamden. 
De trotse burchtheer weigerde zijn toestemming tot het huwelijk. Aleid nam de vlucht en een bange tijd brak aan aan het hof, waar de mening heerste, dat de ontrouwe dochter verdronken was. Na drie maanden kwam het echter uit, dat Aleid een toevlucht had gezocht bij één van de vroegere horigen. Men besloot te trachten een verzoening tot stand te brengen en Anselmus, de vertrouwde biechtvader, slaagde hierin. Vergezeld door Reynalt keerde Aleid terug.
In het derde bedrijf werd het huwelijk tussen hen voltrokken.

Het instituut Van Kinsbergen

Het levensverhaal van Jan Hendrik van Kinsbergen, geboren in Doesburg op 1 mei 1735, is even boeiend als avontuurlijk en het lezen ervan alleszins aanbevelenswaardig.
De familie verhuist naar Elburg.
Het ‘Schipluidenfonds’, gesticht in de middeleeuwen door het ‘Schipluidengilde’, stond de weduwen en wezen van omgekomen vissers bij. Dit fonds ‘ontmoette’ in Elburg Van Kinsbergen en uit deze ontmoeting ontstond in 1809 het ‘Van Kinsbergen-instituut’. 
Het fonds doneerde gelden aan de gemeente voor onderwijs aan de jeugd in Elburg. Van Kinsbergen vulde ontstane financiële tekorten aan. 
Het curatorium bestond uit twee door Van Kinsbergen benoemde curatoren en twee van gemeentewege. 
Deze Bijzondere School bestaat nog steeds.
Zuid van Elburg ligt het landgoed ‘Oud Putten’, dat lange tijd dienst deed als internaat voor de leerlingen van het ‘Van Kinsbergen Instituut’. Het is een overblijfsel uit de middeleeuwen, toen het een burcht en roofslot was.

Elburg, een eeuwenoude stad, die vele vreemde overheersingen kende en als hanzestad, in vroeger tijd, een zeer belangrijke plaats innam. Men was er van vele markten thuis, naast landbouw en veeteelt, waren de middelen van bestaan visvangst, het bokkingroken en de vaart op de Zuiderzee. Er was een lijndraaierij, een run- en oliemolen, een touwslagerij en een leerlooierij, terwijl men zich in de nabuurschap bezig hield met het in grote hoeveelheden vangen van wilde eenden, die in eendenkooien hun verdere leven moesten slijten totdat ze naar Holland werden ‘geëxporteerd’.
Dat de Zuiderzee geregeld de Elburgers de stuipen op het lijf joeg, bleek met de watervloed van 14 en 15 november 1775, van 21 en 22 november 1776 en met de watersnoodramp van 3 en 4 februari 1825:
“ … de zware storm en voorbeeldelooze vloed dreigde Elburg, even als hare omstreken, met eene geheele vernieling, en, hoewel de stad zelve, door kistingen aan de poorten, van overstrooming verschoond bleef, zoo waren reeds des middernachts, tusschen 3 en 4 Februarij, de buitenwaarden der stad van alle zijde overstroomd. De dijken onder de stad en verder aan weerszijde, leden buitengemeen veel. Bijna al het vee in deze gemeente verdronk; doch de menschen, die op de hoogten en daken gevlugt waren, door krachtdadige hulp, allen gered …”